De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft enige tijd geleden een aantal  overwegingen gemaakt ter maatstaf van de waardering van het bewijs bij het vaststellen van de wilsonbekwaamheid van een erflater bij het opmaken van een testament.   

Inzet van deze procedure is de nalatenschap van de erflater, die op 23 februari 2011 is overleden.

Erflater is niet gehuwd geweest en hij heeft geen nakomelingen.

In dit geding gaat het in het bijzonder om de geldigheid van het op 20 mei 1999 door erflater opgemaakte testament, waarbij erflater verweersters tot zijn enig erfgenamen benoemde.

Eiseres tot cassatie die tezamen met haar nicht als erfgenaam zou gelden indien het testament nietig zou zijn, stelt dat het testament nietig is op grond van art. 3:34 BW wegens de aanwezigheid bij erflater van een geestelijke stoornis als gevolg van een hem als kleuter overkomen ongeval.

Verweerders bestrijden dat erflater niet in staat was zijn wil te bepalen en overeenkomstig die wil te verklaren.

Het hof heeft, evenals de rechtbank, de vorderingen van eiseres afgewezen, oordelend dat zelfs als ervan wordt uitgegaan dat erflater lijdende was aan een blijvende geestelijke stoornis, hieruit niet kan worden afgeleid dat hij ten gevolge van die stoornis niet, althans onvoldoende in staat was zijn wil te bepalen voor het beschikken over zijn nalatenschap.

Het hof oordeelde voorts dat bewijslevering als aangeboden niet aan de orde komt.

Erfrecht. Wilsbekwaamheid erflater bij opmaken van testament. Testament nietig omdat het onder invloed geestelijke stoornis is opgemaakt? Bewijsaanbod. Medisch bewijs. Maatstaf. Toetsing.

De A-G concludeert als volgt.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de met de in de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 neergelegde verklaring overeenstemmende wil van erflater geacht moet worden te hebben ontbroken op de grond dat de verklaring onder invloed van een geestelijke stoornis is gedaan, zoals bedoeld in artikel 3:34 lid 1 BW.

Indien komt vast te staan dat erflater ten gevolge van een geestelijke stoornis wilsonbekwaam was ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 is deze nietig aangezien het een eenzijdige ongerichte rechtshandeling betreft (artikel 3:34 lid 2 BW).

Voor de nietigheid van de uiterste wilsbeschikking moet vast komen te staan dat erflater op het ogenblik van passeren van de uiterste wilsbeschikking niet, althans onvoldoende begreep wat hij deed en het vermogen miste zijn wil – zoals neergelegd in de uiterste wilsbeschikking – te bepalen en te verklaren.

Voor de beoordeling kunnen ook de feiten voorafgaand aan en volgend op het opmaken van de uiterste wilsbeschikking van belang zijn, namelijk indien en voor zover deze feiten rechtstreeks verband houden met de betwiste wilsuiting.

De stellingen van appellante komen erop neer dat bij erflater sprake was van een permanente en voor derden kenbare stoornis die een redelijke waardering van de bij het opstellen van het testament betrokken belangen belette.

Op grond van het wettelijk vermoeden van artikel 3:34 lid 1 BW wordt volgens haar de wil daardoor reeds geacht te ontbreken.

Appellante baseert zich hierbij met name op verklaringen van de huisarts, een verklaring van specialist ouderengeneeskunde en verklaringen van psychologe, die een beoordeling van de wilsbekwaamheid en verstandelijke vermogens van erflater heeft gegeven op basis van de stukken van deze procedure.

De huisarts noemt erflater ‘hoogst waarschijnlijk zwakbegaafd’, volgens een andere specialist was erflater ‘zeer waarschijnlijk verstandelijk gehandicapt’ en volgens psychologe was er bij erflater ‘ten gevolge van zijn verstandelijke handicap (zwakzinnigheid) sprake van een constante ernstige geestelijke stoornis’.

Geïntimeerden hebben de waarde van deze verklaringen betwist.

Ook de waarde van de overige verklaringen over erflater die beide partijen in het geding hebben gebracht, afkomstig van personen die hem gekend hebben, zijn over en weer betwist.

Vast staat tussen partijen dat erflater verstandelijk beperkt was, maar over de mate waarin dat het geval is geweest, lopen de meningen uiteen.

Met name appellante heeft zeer uitvoerig uiteengezet dat en waarom volgens haar de verstandelijke beperking van erflater aangemerkt dient te worden als een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 BW die de nietigheid van het testament van 20 mei 1999 tot gevolg heeft.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Ook indien zou komen vast te staan dat de verstandelijke beperkingen van erflater in het algemeen aangemerkt kunnen worden als een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 BW betekent dat niet dat erflater ten gevolge van die geestelijke stoornis wilsonbekwaam was ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999.

Naar het oordeel van het hof biedt hetgeen appellante in dit verband naar voren heeft gebracht, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onvoldoende grondslag voor een dergelijke conclusie.

De huisarts vermeldt met name twee medische incidenten in 1998 en 2002 die voor hem de ernst van de beperkingen van erflater aantonen.

Echter, deze incidenten of de andere door hem vermelde omstandigheden zijn voor de huisarts kennelijk geen aanleiding geweest voor doorverwijzing naar specialistische zorg of voor het benaderen van familie van erflater teneinde enige vorm van al dan niet vrijwillige begeleiding te bewerkstelligen.

Daaromtrent blijkt in ieder geval niets.

Dit gegeven doet naar het oordeel van het hof afbreuk aan de waarde die aan deze achteraf gegeven beschrijving van de verstandelijke beperkingen van erflater kan worden toegekend.

De verklaring van de specialist betreft de periode dat erflater in het verpleeghuis was opgenomen en geeft wel een indicatie van diens toestand op dat moment en een inschatting van de toestand daaraan voorafgaande, maar geeft geen uitsluitsel over de wilsbekwaamheid van erflater ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking.

De verklaringen van drs. P houden een interpretatie achteraf in op basis van met name de hiervoor genoemde verklaringen en van de overige (over en weer betwiste) verklaringen van andere betrokkenen.

Aan de medische verklaringen kan, zoals gezegd, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, zodat hetzelfde heeft te gelden voor de verklaringen van drs. P.

Bij dit alles neemt het hof in aanmerking dat erflater zelfstandig in een eigen woning heeft gewoond, in ieder geval tussen 1985 en het moment van de uiterste wilsbeschikking van 1999.

Van begeleiding door enige zorginstelling, van enige diagnose van zijn verstandelijke capaciteiten en/of van enige specifiek daarop gerichte medische of sociale zorg is niets gebleken.

Het ongeval is erflater reeds op zeer jonge leeftijd overkomen en zijn beperkingen dateren van die tijd. Gedurende bijna zijn gehele leven, tot 2009, heeft kennelijk niemand van zijn familie aanleiding gezien enige maatregel van bescherming uit te lokken.

In ieder geval is dat nooit gebeurd, zodat aangenomen moet worden dat erflater zich ondanks zijn verstandelijke beperkingen redelijk staande wist te houden.

Met dat beeld correspondeert bepaald niet de suggestie van appellante dat erflater van het begin af aan, en dus ook ten tijde van de uiterste wilsbeschikking(en) permanent wilsonbekwaam is geweest.

Wanneer dat de situatie was geweest, zou een ondercuratelestelling voor de hand hebben gelegen.

Daarvan is evenwel nooit sprake is geweest.

Het hof merkt hierbij op dat toen appellante in 2009 een verzoek indiende tot onderbewindstelling en instelling van een mentorschap zij daaraan het volgende ten grondslag legde: betrokkene is licht beïnvloedbaar, heeft zijn eigen woning voor minder dan de helft van de waarde verkocht; geeft inboedel weg aan derden, enz. (verzoek onderbewindstelling) en licht beïnvloedbaar; verstandelijke handicap; geen zelfinzicht of zicht op eigen situatie. binnenkort noodzaak tot verhuizing naar woon-zorg voorziening. Medewerking hieraan is ongewis (mentorschap).

Deze omschrijvingen duiden er niet op dat appellante toen uitging van een permanente wilsonbekwaamheid bij erflater.

Een en ander wijst niet op het bestaan van zorgen bij de familie of andere betrokkenen die te maken zouden hebben met een permanente wilsonbekwaamheid van erflater ten tijde van het verzoek en in ieder geval niet op het bestaan daarvan ten tijde van en/of in verband met de uiterste wilsbeschikkingen.

Het hof neemt hierbij verder in aanmerking dat de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 niet een ingewikkelde of moeilijk te doorgronden rechtshandeling betrof en gezien de langdurige vriendschappelijke contacten tussen erflater en het gezin van geïntimeerden niet een bijzonder verrassende strekking had.

Het was bovendien niet de eerste keer dat erflater iets dergelijks deed: in zijn testament van 1980 heeft hij immers met voorbijgaan van zijn toen nog levende broers appellante en haar nicht tot erfgenamen benoemd.

Ook de notaris, aan wie het in de eerste plaats is te beoordelen of een testateur wilsonbekwaam is, heeft kennelijk geen reden gezien te twijfelen aan het vermogen van erflater om een uiterste wil te maken.

Een en ander brengt het hof tot dezelfde conclusie als de rechtbank, namelijk dat zelfs als ervan wordt uitgegaan dat erflater lijdende was aan een blijvende geestelijke stoornis, hieruit niet kan worden afgeleid dat hij ten gevolge van die stoornis niet, althans onvoldoende, in staat was zijn wil te bepalen voor het beschikken over zijn nalatenschap.

Hetgeen appellante heeft gesteld en aan producties in het geding heeft gebracht biedt onvoldoende onderbouwing voor een andere conclusie, zodat bewijslevering als aangeboden niet aan de orde komt.

Kortom, de slotsom is dat het gestelde niet voldoet aan de maatstaf die hiervoor is weergegeven

Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.